vrijdag 15 januari 2021

Is antiveroudering wel zo'n goed idee?

 

Eerder schreef ik op dit blog over het boek van David Sinclair (zie Lifespan: The Information Theory of Aging). In dit boek betoogt Sinclair dat het in theorie mogelijk moet zijn om het verouderingsproces te stoppen en zelfs terug te draaien. Sommigen (waaronder eerlijk gezegd ook ikzelf) worden heel enthousiast van dit idee. Veel anderen stuit het juist zwaar tegen de borst. Dat is begrijpelijk, want men kan legitieme bedenkingen tegen het anti-verouderingsstreven aanvoeren. Hierbij kun je denken aan vragen zoals:

Geeft de kortstondigheid van het bestaan niet juist zin en betekenis aan het leven?

Als oudere generaties niet op een gegeven moment het veld ruimen voor jongere generaties, ontstaat er dan geen algehele stagnatie in de samenleving?

Als iedereen heel lang blijft leven – honderden jaren of misschien zelfs langer – ontstaat er dan geen overbevolking?

Wordt langlevendheid niet iets wat straks alleen de rijken zich kunnen veroorloven?

Wat te denken van dictators die eindeloos aan de macht blijven?

Waarom tijd, geld en moeite besteden aan anti-verouderingsonderzoek, zijn er geen dringendere zaken die onze aandacht behoeven?

Op deze vragen wordt in het (Engelstalige) artikel 6 Pros and Cons of Immortality: The Ethics of Life Extension uitvoerig ingegaan. Naar mijn idee worden er steekhoudende argumenten tegen deze bedenkingen ingebracht. Nu is het wel zo dat ik zeer positief tegenover anti-veroudering sta, dus wellicht ben ik daardoor onvoldoende kritisch. Dus mocht je denkfouten in het artikel opmerken, of bekend zijn met wetenschappelijke studies die de argumenten van de schrijver ondergraven, voel je dan vrij om te reageren.






zondag 3 januari 2021

Aantekeningen maken met Flonotes

Ik maak zelf veel gebruik van wat ik "flonotes" noem. Deze techniek wordt door Scott H. Young beschreven, zie: Learn More, Study Less – Flow-Based Notetaking.


De techniek is dus zeker niet nieuw, maar de naam "flonotes" heb ik er zelf aan gegeven, omdat het veel compacter is dan "Flow-Based Notetaking". Voor wat betreft de uitspraak van het woord flonotes; het is een samenvoeging van de Engelse worden flow en notes

Ik heb gemerkt dat flonotes bijzonder behulpzaam kunnen zijn om meer helderheid te krijgen over een bepaald onderwerp. Als je ergens over nadenkt, dan kun je nogal eens in cirkels blijven rondgaan zonder dat je tot nieuwe inzichten komt. Maar als je je gedachten zichtbaar maakt op papier, dan kun je ineens gedachtesprongen maken die je anders wellicht nooit gemaakt zou hebben en verbanden leggen die je anders zouden zijn ontgaan. Dat is de grote kracht van flonotes maken. 

Ook is het leuk om na een tijd je flonotes weer terug te lezen, je kunt dan je denken stimuleren met gedachten die je eerder had. 

Bij mij zijn flonotes doorgaans een mix van dingen die ik gelezen of gehoord heb en eigen gedachten. 

Hieronder een voorbeeld van flonotes:







(Om het beter te kunnen lezen, is het wellicht handig om de afbeelding te downloaden.) 

zaterdag 26 december 2020

Kenmerken van de Reliminist

Het reliminisme is ‘open source’. Dat wil zeggen dat niemand het als intellectueel eigendom kan claimen. Eveneens betekent dit dat geen enkele persoon of organisatie aanspraak kan maken op enig gezag over andere reliministen. Het reliminisme sluit daarmee per definitie institutionalisme uit. Iedereen is vrij er haar/zijn eigen invulling aan te geven. Toch zullen er allicht kenmerken zijn die reliministen met elkaar gemeen hebben. Hieronder worden er een aantal genoemd.


1) Houding ten aanzien van leerstelligheid
De enige leerstelling die de reliminist zonder verder bewijs accepteert is die van de zowel transcendente als immanente Alziel. Verder zal hij geen dogma als waarheid aanvaarden, tenzij er deugdelijk bewijs voor is. Dit betekent dat de reliminist veel waarde hecht aan de wetenschappelijke methode. Verder weet hij dat hij met onzekerheid zal moeten leven, omdat we van veel dingen nooit echt zeker kunnen weten of ze nu waar zijn of niet.

2) Rituelen en geloofsbeleving
De reliminist voelt dat het belangrijk en waardevol is om uitdrukking te geven aan haar besef van de eenheid van alles, en zij weet dat rituelen daarbij kunnen helpen. Maar ze realiseert zich daarbij wel dat rituelen het leven nodeloos ingewikkeld kunnen maken. Zij kiest daarom voor eenvoudige rituelen. Die rituelen voert zij eerbiedig, serieus en vol overgave uit, maar ze houdt zich er verder niet krampachtig aan vast. Zij prefereert kleine oprechte gebaren boven plechtstatigheid.

3) Moraliteit en ethiek
Het reliminisme geeft geen morele code, zoals veel andere religies dat wel doen. Dat neemt niet weg dat de reliminist zich aangespoord voelt om veelvuldig en diepgaand te reflecteren op haar handel en wandel. Zij gaat daarvoor te rade bij de diverse overgeleverde wijsheidstradities. Verder zoekt zij dialoog met anderen om van hen te leren. Al doende ontwikkelt zij haar eigen visie op wat goed leven is en hoe ze daar in haar eigen leven vorm aan kan geven. Zij weet dat dit een levenslang, doorlopend proces is dat met vallen en opstaan gaat.

4) Gemeenschap
De reliminist weet dat het een ieder vrij staat om wel of niet de spirituele weg te bewandelen en dat dat iets is wat ieder voor zichzelf moet bepalen. In die zin ziet hij religie als een individuele aangelegenheid. Maar hij realiseert zich ook dat we uiteindelijk samen op weg zijn en dat geen mens een eiland is. Hij ziet in dat vrienden onmisbaar zijn – ook in spiritueel opzicht. De reliminist zoekt daarom altijd naar manieren om betekenisvolle vriendschappen met gelijkgestemden aan te gaan.

Deze lijst zal vast niet volledig zijn, maar zoals ik het nu zie, geeft het al een aardig beeld van wat het betekent om een reliminist te zijn.

vrijdag 18 december 2020

Reliminisme (= Religieus Minimalisme)

Enerzijds voel ik mij niet goed bij totale areligiositeit en atheïsme. Anderzijds ben ik te skeptisch ingesteld voor het aanhangen van een reguliere godsdienst. Daarom ga ik voor een religie die teruggebracht is tot een absoluut minimum aan geloofsartikelen en rituelen. Ik noem dit "Reliminisme", hetgeen een samenvoeging is van de woorden "religieus" en "minimalisme". Wie het reliminisme aanhangt kan dus een reliminist genoemd worden. Voor zover ik heb kunnen nagaan zijn de woorden reliminisme (of  reliminism in het Engels) en reliminist nog niet in gebruik. 

Als geloofsartikel onderschrijf ik het volgende:
Er is een Alziel die alles doordringt en tegelijk ook alles overstijgt. Deze Alziel noem ik God (in feite is dit een vorm van panentheisme). Hieruit leid ik af dat alles met alles verbonden is en dat er in feite sprake is van een onderliggende eenheid. Ik aanvaard dit zonder daarvoor bewijs te verlangen; dit in verband met het Munchausen trilemma

Het Reliminisme lijkt op het eerste gezicht identiek aan het Ietsisme, maar toch is het niet hetzelfde. In het Ietsisme wordt in grote lijnen gesteld  'dat er wel iets van een hogere macht moet zijn'. 
Ten eerste kan men zich afvragen waaruit logischerwijs afgeleid kan worden dat er wel iets moet zijn. Ten tweede is het Reliminisme specifieker: er wordt expliciet van een Alziel gesproken, waarvan het bestaan zonder verdere bewijsvoering aanvaard wordt. 

Als ritueel doe ik het volgende:
Dagelijks druk ik in een gebed dankbaarheid uit voor de goede dingen in het leven. Tevens spreek ik het bekende Sereniteitsgebed uit.

Dat zal mijn godsdienst zijn. Niet meer en niet minder.

 

woensdag 1 april 2020

Complottheorieën


Nu de hele wereld in de greep is van het corona virus, zijn complottheorieën niet van de lucht. Het lastige met complottheorieën is dat hetgeen gesteld wordt lastig met zekerheid is uit te sluiten.

Toch is het - Bertrand Russel parafraserend - onwenselijk dingen voor waar aan te nemen als daar geen goede reden voor is.

De vraag is alleen: hoe herken je een complottheorie?

Het volgende valt op:
  1. Er worden booswichten geïdentificeerd.
  2. De bedoelingen van deze booswichten worden in detail beschreven.
  3. De plannen van de booswichten zijn vaak uiterst complex en aan werkelijk alles is gedacht.

Op zich is het natuurlijk zo dat er mensen zijn die te kwader trouw zijn en dat deze met elkaar kunnen samenspannen om bepaalde dingen te bereiken. In die zin zijn complotten een reële mogelijkheid. Maar de vraag is: hoe kan een complottheoreticus nou precies weten wat de vermeende booswichten precies denken en willen? Kan hij gedachten lezen? En hoe kan het nou dat de plannen van de schurken altijd zo goed uitpakken; we weten allemaal dat de werkelijkheid zeer weerbarstig is en dat dingen maar hoogst zelden precies volgens plan gaan, zou dat voor de slechteriken dan niet anders zijn?

Al met al voelen complottheorieën veelal aan als slechte verhalen, met gekunstelde plots en ongerijmdheden die met ad hoc hypothesen weg worden verklaard. 

Ten aanzien van complottheorieën is het scheermes van Occam zeer goed bruikbaar: geef de voorkeur aan de verklaring die op de minste extra aannames moet steunen. Het garandeert niet dat wat je denkt ook juist is, maar het is een goed middel tegen de menselijke neiging er van alles maar bij te verzinnen. 





maandag 24 februari 2020

Lifespan: The Information Theory of Aging



"Redelijke mensen proberen zich aan de werkelijkheid aan te passen. Onredelijke mensen proberen voortdurend de werkelijkheid aan zichzelf aan te passen. Daarom is alle vooruitgang te danken aan onredelijke mensen." - George Bernard Shaw

Een bekend gezegde luidt: "ouderdom komt met gebreken". Maar waarom is dat zo?

De afgelopen decennia is er veel wetenschappelijk onderzoek naar veroudering uitgevoerd, en inmiddels kan men nauwkeurig beschrijven wat er fysiologisch gezien gebeurt (afnemende werking mitochondriën, verkorting telomeren, ontstaan van senescente 'zombie' cellen, etc.). Maar hoe waardevol deze kennis ook is, iets nauwkeurig beschrijven geeft nog geen antwoord op de vraag waarom het überhaupt gebeurt. Een echt bevredigende verklaring was er tot op heden niet. Ik denk dat daar twee belangrijke redenen voor zijn: 1) de 'slijtage' metafoor en 2) de diepgewortelde overtuiging dat veroudering onvermijdelijk is en nu eenmaal bij het leven hoort.

De slijtage-metafoor lijkt op het eerste gezicht heel plausibel. Gebruiksvoorwerpen slijten door gebruik, en op een gegeven moment zijn ze rijp voor de schroothoop. Maar er is een belangrijk verschil tussen een levend lichaam en een levenloos apparaat: een lichaam kan zichzelf herstellen, een levenloos voorwerp kan dat niet (een auto kan niet zelf een kras in de lak doen verdwijnen, je lichaam kan een snee in je vinger wel doen genezen). Dat alleen al maakt de slijtage-metafoor discutabel.

Ook op het idee dat veroudering nu eenmaal bij het leven hoort valt zeker wat af te dingen. Want hoewel veroudering een universeel biologisch verschijnsel is, is er geen enkele natuurwet die gebiedt dat elk levend wezen moet verouderen. Dat blijkt al uit het bestaan van uitzonderingen: de zoetwaterpoliep vertoont bijvoorbeeld geen enkel teken van veroudering. Een willekeurige zoetwaterpoliep kan 1 jaar of 1000 jaar oud zijn; dat kan op geen enkele wijze vastgesteld worden.

Hoe dan ook: het rotsvaste geloof in de onvermijdelijkheid van veroudering blokkeert het creatieve denkproces dat nodig is om tot echte doorbraken te komen. Het ontbreekt daardoor aan de koppige vastbeslotenheid die nodig is om de echt harde noten te kunnen kraken.

Toch lijkt het erop dat er momenteel een doorbraak gemaakt wordt . Vorig jaar publiceerde dr. David Sinclair het boek "Lifespan: why we age and why we don’t have to”. Hij en zijn onderzoeksteam leggen zich niet neer bij de status quo, maar zijn duidelijk vastbesloten om iets aan veroudering te doen.


Lifespan


Globaal komt het betoog van Sinclair erop neer dat veroudering veroorzaakt wordt door informatieverlies. Dit vraagt om enige toelichting:

Elke cel in het lichaam heeft exact hetzelfde genoom (dat wil zeggen: dezelfde genetische code in het DNA), maar een levercel is duidelijk heel anders dan bijvoorbeeld een zenuwcel. Het type cel wordt uiteindelijk bepaald door welke genen actief zijn, en welke stil worden gehouden. Dit wordt het epigenoom genoemd. Volgens Sinclair raakt het epigenoom – dus het aan/uit patroon van genen – in de loop van het leven steeds meer in de war, waardoor de cellen steeds slechter gaan functioneren. Veroudering dus. Het is een beetje zoals een concertpianist die aanvankelijk virtuoos speelt, maar steeds meer fouten maakt tot het uiteindelijk een grote kakofonie wordt.

In essentie is het dus eenvoudig: herstel de epigenetische informatie (dus zorg ervoor dat het aan/uit patroon weer goed is) en het resultaat is verjonging. Natuurlijk is de werkelijkheid veel weerbarstiger, en moet er nog een hoop uitgezocht worden. Maar er worden momenteel wel grote stappen gemaakt, want in het lab van Sinclair is men er in geslaagd om muizen zowel sneller als langzamer te doen verouderen en men is er zelfs in geslaagd om gedegenereerde oogzenuwen bij oude muizen weer te herstellen. Deze oogzenuwen functioneren weer net zo goed als toen de muizen nog jong waren. Dit wijst erop dat werkelijke omkering van het verouderingsproces – in ieder geval op weefselniveau – in principe mogelijk is.

Ik denk dat dit onderzoek van enorm groot belang is. Niet alleen zorgen functieverlies en jarenlange chronische ziekte voor veel persoonlijk leed, ook wordt het een steeds groter maatschappelijk probleem in verband met de stijgende zorgkosten. Dat is ook de reden dat ik anderen graag hierover vertel, in de hoop dat het maatschappelijk draagvlak voor dit soort onderzoek steeds groter wordt. Hopelijk zullen dan steeds meer knappe koppen zich over het vraagstuk van veroudering buigen. Sinclair benadrukt overigens dat het hem niet te doen is om onsterfelijkheid te realiseren, hij wil alleen dat iedereen gezond en vitaal is en blijft, hoe lang hij of zij ook leeft.

Hoewel nog moet blijken of de notie echt klopt, is het sowieso een briljante gedachtesprong van Sinclair om de informatietheorie van Claude Shannon erbij te betrekken. Het is een fascinerend idee dat hetzelfde theoretische kader dat het mogelijk heeft gemaakt dat e-mails vrijwel altijd goed aankomen, wellicht zal helpen bij het oplossen van het vraagstuk van het verouderingsproces. En om terug te komen op de slijtage-metafoor; als het centrale idee klopt - namelijk dat veroudering berust op informatieverlies - dan lijkt veroudering veel meer op het bekende fluisterspel (waarbij de oorspronkelijke boodschap uiteindelijk onherkenbaar verandert) dan op het slijtageproces van bijvoorbeeld een auto.

Uiteraard zijn er ook ethische kwesties; want stel: uiteindelijk is veroudering ongedaan te maken. Hoe ga je als samenleving bijvoorbeeld om met mensen die om principiële redenen niets tegen veroudering willen doen? Onvermijdelijk zullen zij dan allerlei gezondheidsklachten krijgen en niet meer kunnen werken. Voor wiens rekening komen dan de kosten? En als iedereen heel lang blijft leven, zal dat dan tot overbevolking leiden? (Sinclair acht dit niet waarschijnlijk, hij wijst daarbij op de correlatie tussen een hogere levensverwachting en een lager geboortecijfer). Deze en andere kwesties brengt Sinclair ter sprake in zijn boek. Hij geeft geen definitieve antwoorden, maar hij kaart het aan omdat hij het belangrijk vindt dat er nu al over wordt nagedacht. Het is heel goed dat hij dat doet, want hoewel ouderdom een vloek is die ons uiteindelijk allemaal treft, hoeft het wegnemen van die vloek nog niet automatisch een zegen te zijn.

Alvorens het boek te lezen (iets wat ik absoluut aanraad) is het misschien een goed idee om deze lezing van Sinclair te bekijken. Het is een goede inleiding op het boek ( het duurt ongeveer een half uur, de rest van de tijd beantwoord hij vragen uit het publiek).








zaterdag 8 februari 2020

Buitengewone Beweringen, Buitengewone Bewijzen


Een van de uitgangspunten van het kritisch denken is dat buitengewone beweringen om buitengewone bewijzen vragen. Dit wordt ook wel aangeduid als de Sagan-standaard (genoemd naar de astronoom Carl Sagan). Eveneens staat het bekend als het ECREE-aforisme (Extraordinary claims require extraordinary evidence).

Zoals ik het begrepen heb, is plausibiliteit het criterium. Hoe minder plausibel de bewering, hoe buitengewoner die bewering is. Maar hoe kan ik de plausibiliteit van een bewering beoordelen? Ik zou kunnen nagaan in hoeverre de bewering rijmt met reeds bestaande kennis waarvan de juistheid in hoge mate aangetoond is. Maar dit werpt weer een ander probleem op: ten aanzien van heel veel kennisgebieden ben ik op zijn best een redelijk geïnformeerde leek, maar in veruit de meeste gevallen ben ik volkomen onwetend. Dat maakt het goed hanteren van de Sagan-standaard voor mij behoorlijk lastig.

Daarom stel ik voor niet in eerste instantie de plausibiliteit van een bewering als maatstaf te nemen, maar de implicaties ervan. Als iemand bijvoorbeeld beweert dat God tot hem of haar spreekt, dan kan dat wel of niet waar zijn. Behalve voor die persoon zelf, maakt dat verder niet zoveel uit voor mij of ieder ander. Maar als die persoon stelt dat God geboden heeft dat iedereen zich voortaan alleen te voet mag verplaatsen, en dat het gebruik van elk ander vervoersmiddel streng verboden is, dan heeft dat zeer verstrekkende implicaties. Dan mag – en moet zelfs – extreem sterk bewijs verlangd worden.

Hetzelfde geldt voor therapieën. Als gezegd wordt dat bijvoorbeeld de inname van knoflook de duur en intensiteit van verkoudheid bekort, dan volstaat wat mij betreft anekdotisch bewijs. Aanvullend wetenschap onderzoek zou welkom zijn, maar ik zou geen hele hoge eisen stellen aan de kwaliteit van die studie. Maar als wordt gezegd wordt dat de inname van knoflook een bepaalde agressieve vorm van kanker kan genezen, dan heeft dat verstrekkende implicaties, en mag dus buitengewoon bewijs verlangd worden.